Betekenis “op den Dries”

Betekenis “op den Dries”

Waar komt “Dries” nu eigenlijk vandaan?

Magda Devos vertelt over ‘dries’ in het Dialectenboek 6 van de streek,
p. 48-49 (ISBN 90-73869-06-4) het volgende:

Talrijk zijn de familienamen met het terreinwoord dries: van den Dries(se), Driessche(n), Drieske, Dris(se), Driest, Driesschaert en ook Driesman(s), wat echter evengoed een afleiding kan zijn van de voornaam Dries, verkorting van Andries. Uit historische bewijsplaatsen van dries als soortnaam en als toponiem leren we dat het woord een brede waaier van toepassingen heeft ontwikkeld, o.m:

rustend akkerland, dat tijdelijk als gemeenschappelijke graasweide wordt gebruikt,
stuk minderwaardig grasland waarop de boerengemeenschap weiderecht heeft,
permanent grasland van geringe hoedanigheid, en ten slotte openbaar pleintje in een dorp of een gehucht.
Eén ding hebben de middeleeuwse ‘driesen’, hoe verschillend ook qua aard en ligging, gemeen: hun functie als graas- en hooiland.
Dries is een heel oude terreinbenaming. In zijn Indo-europese voorgeschiedenis gaat het woord terug op een woord met de betekenis ‘wat opgeteerd of uitgeput is’. Een “dries” was dus oorspronkelijk een uitgeputte akker, die weer op krachten moest komen en daartoe een aantal jaren braak bleef liggen. Men liet er gras, onkruid en kreupelhout opschieten om de bodem te verrijken. Na verloop van tijd werd het struikgewas gerooid, gras en onkruid werden ondergeploegd als groenbemesting, en men ging er weer gewassen zaaien.

Tijdens de braakperiode had de boerengemeenschap het recht op de “driesen” hout te hakken (b.v. om afrasteringen te maken), te sprokkelen en er hun vee te laten weiden. Die functie als graasland verklaart hoe dries de hierboven genoemde ‘weiland’-betekenissen kon aannemen. De toepassing van dries op dorps- en vooral gehuchtpleinen is te begrijpen vanuit de overeenkomst in uitzicht en functie tussen de oude, gemene “driesen” en de pleintjes waarrond zich in dorpen en gehuchten de bewoning concentreerde. Deze openbare plaatsen waren zowat miniatuurversies van de oude driesen: ze omvatten graasland, houtgewas en wellicht af en toe ook een stukje akkerland, en de omwonenden hadden er weiderecht en houwrecht.